Robots, banen, en het belang van gezond verstand

Het volgende artikel schreef ik met dr. Pim Haselager:

De afgelopen weken is er veel gesproken over robots die de werkgelegenheid bedreigen. De aanleiding was de alarmerende speech van PvdA-minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken) over de robotisering van arbeid. Die speech heeft heel wat losgemaakt. “Asscher waarschuwt: ‘extreme ongelijkheid’ door robotisering” kopte de NRC op 29 september. Economen, sociologen en journalisten deden stevige voorspellingen. Heijne en Witteman van de Volkskrant berekenden dat 39 procent van de Nederlandse banen risico loopt om gerobotiseerd te worden. Accountantskantoor Deloitte suggereerde in de NRC dat 2 tot 3 miljoen banen verloren kunnen gaan. Andere economen en sociologen gaven tegengas. Ze vertellen ons dat doemscenario’s vaker zijn er voorspeld die stuk voor stuk niet zijn uitgekomen. Bovendien zorgen robots ook voor andere, nieuwe, banen. We blijven hangen in een sociaaleconomische discussie. Het is tijd voor inzichten van mensen die robots maken; voor een perspectief vanuit de kunstmatige intelligentie.

Laten we teruggaan naar het begin. Alle voorspellingen zijn gebaseerd op één bron. Het Oxford-artikel van Frey en Osborne uit 2013: The future of employment: how susceptible are jobs to computerisation? Het eerste wat opvalt is dat het artikel gaat over computerisering. De auteurs maken onderscheid tussen machine learning en mobiele robots. Het eerste gaat over het leren (door computers) van patronen, relaties en modellen uit grote hoeveelheden data om daar nieuwe voorspellingen mee te doen. De categorie banen die daardoor vervangen zouden kunnen worden zijn banen waarbij mensen niet of nauwelijks met elkaar hoeven te communiceren en waarbij geen armen of benen nodig zijn. Is dat vereist, dan komen we uit bij robots. Het tweede dat opvalt aan het artikel is dat zij zelf aangeven dat hun verhaal verre van compleet is. Met andere woorden, de getallen dienen ook volgens henzelf met een korreltje zout genomen te worden.

Wat hebben de onderzoekers gedaan? Ze hebben gedetailleerde taakomschrijvingen van 702 beroepen vergeleken met de vermogens die robots binnen nu en de komende twintig jaar waarschijnlijk zullen hebben. Hoe groter de overlap tussen de beroepstaken en de robotvermogens, des te hoger het risico dat het beroep gerobotiseerd wordt. Frey en Osborne zijn echter een cruciale aanname vergeten: de taakomschrijvingen zijn opgesteld met de vooronderstelling dat een mens het beroep beoefent. Maar dat staat nu juist ter discussie! De ontwikkelaars van robots weten als geen ander hoe moeilijk het is de alledaagse menselijke kennis en vermogens na te bootsen. Gezond verstand, snappen wat iemand wil, begrijpen wat er aan de hand is, dat zijn allemaal noodzakelijke vaardigheden die niet in taakomschrijvingen genoemd worden. Dat is logisch, omdat mag worden aangenomen dat elke gezonde persoon dat kan. Maar dit soort alledaagse vaardigheden zijn voor robots nog steeds een enorme uitdaging.

Ober robot

Ober robot

Neem bijvoorbeeld een ober, een beroep dat volgens de onderzoekers een kans heeft van 94 procent om geautomatiseerd te worden. De belangrijkste taak van een ober is om te informeren of de klant het eten lekker vindt, en zo niet, daar wat aan te doen. Kan een robot dit ook? Ja, een robot kan zich naar een tafeltje bewegen en vragen of alles naar wens is. Maar het wordt al moeilijker voor een robot bij andere basisvaardigheden van een ober, zoals in een vol restaurant kunnen inschatten wie aan welk tafeltje geholpen wil worden, of waar kan worden afgeruimd. Nog weer stukken lastiger is het beleefd omgaan met een klacht omdat daar veel mensenkennis voor nodig is, inzicht in waarom de persoon zich zo gedraagt. Niet alleen de kwaliteit van het voedsel is daarbij van belang, maar ook wie er aan tafel zitten, en waarom (zakendiner of een romantische avond). Dat allemaal goed inschatten én dan de juiste toon treffen is voorlopig nog toekomstmuziek voor robots.

Conclusie: een inschatting van de robotisering van werk moet niet plaatsvinden op basis van functieomschrijvingen voor mensen. Dergelijke omschrijvingen zijn gebaseerd op aannames over de normale bekwaamheden van mensen die voor robots nu juist niet opgaan. Daarom is het in deze fase nog te prematuur om de risico’s kwantitatief in te schatten. Elk percentage of aantal dat aangeeft hoeveel banen er gaan verdwijnen door robots is veel te onbetrouwbaar.

Het is duidelijk dat er de komende jaren veel gaat veranderen door de komst van robots en andere kunstmatige intelligentie. Wij vinden het belangrijk dat de discussie goed wordt gevoerd, en daarvoor is kennis en ervaring van kunstmatige intelligentie noodzakelijk. Het is verstandig om te discussiëren over de invloed van robotica op de werkgelegenheid. Maar Asscher had er goed aan gedaan zich eerst gedegen te laten informeren door wetenschappers uit de Kunstmatige Intelligentie. Omgekeerd mogen wetenschappers ook meer hun best doen om uit te leggen wat robots allemaal wel en niet kunnen, zodat valse verwachtingen en onnodige angsten voorkomen worden. Dat rekenen we ook onszelf aan. Vandaar dit artikel.

De ‘we’ in de een-na-laatste zin slaat naast dr. Haselager en mezelf op de volgende onderzoekers en/of docenten van de afdeling Kunstmatige Intelligentie aan de Radboud Universiteit (die de inhoud van dit stuk onderschrijven):

– dr. Khiet Truong (onderzoeker en docent),
– dr. Franc Grootjen (docent),
– dr. Louis Vuurpijl (docent) en
– Rik van den Brule, MSc (promovendus)

Dit bericht is geplaatst in Opinie. Bookmark de permalink.